30 januari 2026

Circulariteit in de installatietechniek: ‘We moeten installaties een extreme levensduur geven’

Goede inzichten delen we graag. Ook als ze van een andere partij komen. Dit artikel van Van Dorp via Gawalo raakt precies aan een vraagstuk dat ons dagelijks bezighoudt: hoe geef je installaties echt een lange toekomst? Auteur: Harmen Weijer.

Circulariteit in de installatietechniek blijft achter bij de ambities, ondanks veel discussie. Paul van Dorp van Van Dorp pleit voor praktische stappen, zoals extreme levensduurverlenging van installaties en hergebruik van materialen. Ontdek hoe de sector de transitie versnelt met integrale ontwerpen en nieuwe principes.

Terwijl de bouwkolom al serieuze stappen zet met houtbouw, biobased materialen en modulaire constructies, volgt de installatiesector op enige afstand. Al gebeurt er wel het nodige hergebruik, zoals van kabelgoten en luchtkanalen, maar het is tijd voor de volgende stappen, zo stelt Paul van Dorp, directeur marketing bij Van Dorp, voorzitter van de TVVL-expertgroep Circulaire Installaties en lid van de Techniek Nederland beleidscommissie Circulariteit.  

Circulaire installaties: huidige stand van zaken

“Als ik de peilstok in de sector steek, staan we nog vrijwel aan het begin van de transitie naar meer circulaire installaties”, zegt Paul van Dorp onomwonden. “Er zijn absoluut goede dingen gaande, maar het is nog geen gemeengoed. Veel installateurs en opdrachtgevers stellen nog kritische vragen: waarom zijn we hiermee bezig? Is dit nuttig? Kan het ook zonder? En het eerlijke antwoord is dat we nog moeten bewijzen hoe je circulariteit consequent en praktisch toepast.” 

Waarom gaat het zo langzaam? Volgens Van Dorp is dat deels simpel te verklaren: bedrijven hebben het heel erg druk met de problemen van vandaag. “We hebben het niet voor niets over personeelstekorten”, zegt hij. “De energietransitie, oplopende energiekosten en aangescherpte regelgeving – zoals EPBD4 en GACS – vragen al gigantisch veel aandacht.” 

Die energietransitie helpt circulariteit lang niet altijd. Integendeel, zegt Van Dorp. “Als je heel veel zonne-energie wilt opwekken, is dat goed voor je energieprestatie, maar slecht voor je milieuprestatie. Je hebt immers meer installatiematerialen nodig. Hetzelfde geldt voor de overstap naar warmtepompen. Een cv-ketel is qua materiaal een relatief licht product; een warmtepomp is veel complexer en vraagt veel meer materiaal. Dat levert een conflict op tussen energie en materiaal.” 

Minder materialen 

De sector zoekt dus oplossingen buiten het klassieke denkraam. Van Dorp: “Als A en B tegenover elkaar staan, moet je naar optie C kijken. Dat vraagt een heel nieuwe manier van denken: integraal, niet stapelend.” Hij noemt verschillende projecten waarin dat nieuwe denken al wordt toegepast. Het Co-Creation Center op de TU Delft bijvoorbeeld, een gebouw dat vrijwel volledig leunt op passieve technieken en natuurlijke regelprincipes. “Waarom maken wij alles van staal, koper en technische materialen met een levensduur van vijftien jaar?”, vraagt hij zich hardop af. “In projecten zoals het Co-Creation Center is gekeken hoe je een comfortabel binnenklimaat kunt bereiken zonder die zware materiaalinzet. Een glazen gebouw met passieve technieken, met een goede energie- én milieuprestatie. Dat kan dus wel.” 

Een ander voorbeeld is het houten onderwijsgebouw Campus Hambaken Timber in ‘s-Hertogenbosch, dat ondanks slechts 3 x 80 A netcapaciteit volledig kan worden gekoeld, verwarmd én voorzien van stroom. “Dat project was eigenlijk een onmogelijke puzzel”, zegt Van Dorp. “En tóch is het gelukt. De succesfactor was: niet telkens installaties toevoegen, maar integraal kijken en precies doen wat nodig is. Daardoor ontwerp je eenvoudiger installaties die slimmer gebruikmaken van het gebouw.” Een belangrijk element in dat project was het gebruik van PCM klimaatplafonds die warmte lokaal opslaan, in combinatie met een gevel met actieve zonwering. “Dit soort oplossingen zijn afzonderlijk niet nieuw, maar we passen het nog niet standaard integraal toe.” 

Integrale keuzes 

Waarom is het zo moeilijk om dit standaard te maken? Het knelpunt zit volgens Van Dorp in de bouwkolom. “We hebben een heel diverse keten: architecten, constructeurs, adviseurs, installateurs, onderaannemers, fabrikanten. Het succes van een goed werkende installatie hangt af van heel veel details.” 

Met steeds complexere gebouwen groeit de behoefte aan specialistische kennis. Tegelijkertijd is er volgens Van Dorp meer behoefte aan professionals met overzicht, dus mensen die integrale keuzes durven maken. “Je moet als sector meer integraal leren denken. Maar dat betekent ook dat iemand die rol moet pakken. In de bouw is het intellectueel eigendom van een ontwerp bij de architect belegd, en de constructieve verantwoordelijkheid bij de constructeur. Eigenlijk zouden we voor gebouwtechniek óók iemand moeten hebben die zich daar professioneel aan verbindt.” 

Of zo’n rol is weggelegd voor de installatieprofessional, door hem ook van begin af aan tafel te zetten, daarover is Van Dorp vooral realistisch. “Het klinkt heel romantisch om installateurs vanaf dag één aan tafel te zetten, maar dan moet de kennis wel op dat moment paraat zijn. En dat is meestal pas gaandeweg het bouw- en installatieproces aan de orde. Bovendien hebben we een enorme arbeidsschaarste, dus je moet heel zorgvuldig afwegen wanneer dat zinvol is.” 

PvE Circulaire Installaties 2.0 

Om de sector handvatten te geven ontwikkelden TVVL, Techniek Nederland en adviesbureau Merosch het Programma van Eisen Circulaire Installaties 2.0. Van Dorp was nauw betrokken bij dit project. “De bedoeling is: maak circulariteit praktisch toepasbaar. Installateurs willen weten: wat moet ik doen? Hoe toets ik het? Hoe meet ik het?”  

Het PvE CI 2.0 geeft concrete eisen per ambitieniveau, waaronder een minimumpercentage hergebruikt materiaal. Dat leidt tot stevige discussies, die Van Dorp zeker niet uit de weg gaat. “We hebben 25 procent hergebruik voorgesteld, gebaseerd op kilogram massa”, legt hij uit. “Daar zijn vragen over. Is kilogram massa leidend? Of gaat het om CO₂? Of om whole-life carbon? Dat zijn terechte vragen. Maar kilogram massa is het meest eenduidig en direct meetbaar.” 

De sector reageert kritisch, weet Van Dorp, en dat is precies de bedoeling. “We krijgen reacties van bedrijven en adviseurs die zeggen: ‘Klopt dit wel?’ Dat vinden we goed. Als wij ongelijk hebben, help ons verbeteren. Versie 2.0 is nog lang niet af. Het moet vooral in de praktijk worden getoetst.” Dat gebeurt inmiddels al: meerdere opdrachtgevers, onder wie het Rijksvastgoedbedrijf, hebben al aangegeven ermee aan de slag te gaan. 

Hergebruik en biobased materialen

Voor de korte termijn ziet Van Dorp vooral kansen in hergebruik en refurbishen van bestaande materialen én installaties. “Veel mensen weten niet hoe vaak luchtbehandelingskasten al gerefurbished worden, of hoe vaak luchtkanalen bij renovaties simpelweg blijven zitten. We geven er alleen weinig ruchtbaarheid aan, omdat we het normaal zijn gaan vinden.”   

Ook kabelgoten, bekabeling en standaard verdeelsystemen lenen zich uitstekend voor hergebruik na refurbishment. Maar om echt grote stappen te zetten, moet de sector verder durven kijken, stelt Van Dorp. “De grootste uitdaging is de materiaaltransitie. We moeten nadenken over biobased materialen. Maar dat is lastig, want veel huidige producten – zoals plaatstaal voor luchtkanalen – zijn al extreem geoptimaliseerd. Hoe ga je dat verbeteren met biobased alternatieven?” TU Delft onderzocht of luchtkanalen van Tetra Pak gemaakt kunnen worden, en dat bleek verrassend kansrijk. “Van melkpak tot luchtkanaal klinkt misschien als een grap, maar het was technisch helemaal niet gek. Maar we passen het nog niet toe. Daar is echt meer lef en onderzoek voor nodig.” 

Toekomst 

Voor de circulaire toekomst van de installatiesector is Van Dorp hoopvol, maar ook realistisch. “We gaan een complexe periode tegemoet”, zegt hij. “Een circulaire energietransitie is niet: product A vervangen door product B. Het wordt zoeken naar nieuwe oplossingen, met nieuwe materialen en nieuwe ontwerpprincipes.” Maar hij ziet wel degelijk veel kansen. “De sector heeft voldoende werkgelegenheid, veel innovatief vermogen en professionals die willen leren. Uiteindelijk gaan we installaties ontwerpen die veel natuurlijker zijn, veel meer onderdeel zijn van het gebouw en veel minder materiaalintensief.” 

Paul van Dorp: uitdagingen energietransitie

Van Dorp is op dat vlak geïnspireerd door professor Andy van den Dobbelsteen van de TU Delft, die een aantal jaar geleden een toekomstbeeld van gebouwen schetste die zich gedragen als bomen, en steden als ecosystemen. “Die samenhang met de natuur moeten we dichterbij halen. Niet alleen voor circulariteit, maar ook voor comfort en gezondheid. Dat vraagt om integraal denken en durven experimenteren. En dat begint nu.” 

Niet in de laatste plaats omdat de transitie niet langer kan worden uitgesteld. “We leven op een eindige planeet en we zijn de grens al over. Bovendien zijn we geopolitiek afhankelijk: China legt exportbeperkingen op voor kritieke grondstoffen. Dat treft onze sector direct.”  

Daarom is zijn boodschap even simpel als urgent: “We moeten de materialen die we hebben een extreme levensduur geven. Niet tien jaar, maar oneindig hergebruik. Dat is onze opdracht. Er zijn nog steeds mensen in onze sector die denken dat circulariteit een hausse is die wel overwaait, maar die hebben het echt mis. En daarom roep ik ook iedereen in de sector op: ga niet tegenstaan. Ga op onderzoek uit. Probeer het. Deel de ervaringen, positief én negatief. Alleen zo maken we deze transitie naar circulaire installaties samen.” 

Lees het artikel op Gawalo: Circulariteit in de installatietechniek: ‘We moeten installaties een extreme levensduur geven’. Beeld: Co-Creation Centre – The Green Village

Samenwerken?

We geloven dat vertrouwen de basis is om samen resultaten te bereiken.
Vertrouwen begint met elkaar leren kennen.

013 – 578 44 33